DRIVR

Groep B: De beginjaren

“Veel te gevaarlijk.” “Onverantwoord!” Zulke opmerkingen hoor je wel vaker, wanneer je je enthousiasme over de rallysport durft te uiten. Zeker in België, waar de schrik er goed in zit sinds het dodelijke ongeval tijdens de Rally van de Middenkust in 2002. Thierry Deconinck raakte van de baan en belandde in een voortuin, waar zijn wagen de aanwezige toeschouwers verpletterde. Balans: twee doden, zes gewonden en bijna een nationaal verbod van de sport. De mediahetze die erop volgde creëerde zo’n publieke afkeer van het rallyen dat reacties zoals bovenstaande gemeengoed zijn geworden bij pakweg driekwart van de bevolking.

Diezelfde mensen zouden waarschijnlijk tegelijkertijd een hartaanval, een zenuwinzinking en spontane haaruitval krijgen als ze zagen hoe het er in de jaren tachtig aan toe ging in het Wereldkampioenschap Rally. Rijdende monsters met meer dan 400 of zelfs 500 pk aan boord raasden rakelings langs honderden dolle fans, die en masse het parcours bevolkten om zo dicht mogelijk bij hun racende helden te kunnen komen. Dat was Groep B. Een explosieve combinatie van snelheid en roekeloos enthousiasme, die niet anders dan met een knal kon eindigen. De korte maar krachtige geschiedenis van deze mythische raceklasse doen we de komende dagen op Carmeleon uit de doeken, in woord en beeld. Na de sprong: de beginjaren.

In het begin van de jaren tachtig zwaaiden de wagens uit Groep 2 en Groep 4 de plak in het WK Rally. De kleine Lancia Stratos, de Ford Escort RS1800 en de Fiat 131 Abarth regen de successen aan elkaar. Hoewel de FIA vierwielaandrijving gelegaliseerd had in 1979, vertrouwden al deze constructeurs liever op het lichtere en minder complexe systeem van achterwielaandrijving. Het was Audi dat als eerste de overstap durfde te maken, en met succes. De Quattro won in 1980 meteen zijn eerste officiële race en was ook het jaar erna te sterk voor de concurrentie. De onbetrouwbaarheid van de vierwielaandrijving kostte de Duitsers echter wel de wereldtitel.

In 1982 trad een nieuw reglement van de FIA in voege, dat de wagens onderverdeelde in Groep N (productiemodellen), Groep A (gemodificeerde productiewagens) en Groep B (gemodificeerde sportwagens met weinig restricties). Die laatste kwam er vooral op vraag van de constructeurs, die uit de successen van de Stratos en de Quattro afleidden dat een middenmotor en achter- of vierwielaandrijving het recept voor winst was. De meeste van hun seriemodellen waren echter uitgerust met een veilige maar oncompetitieve voorwielaandrijving, zodat ze volledig nieuwe sportwagens moesten gaan bouwen. De homologatienorm werd daarom van 400 naar 200 geproduceerde straatexemplaren terug gebracht. Nog datzelfde jaar kon Lancia de 037 als eerste Groep B-wagen inschrijven en ook enkele private Porsche 911’s reden mee, maar geen van beide kon de vierwielaangedreven Quattro echt bedreigen. Ook de belangrijkste nieuwelingen van 1983, zijnde de Opel Manta 400, Toyota Celica Twin-Cam Turbo en Renault 5 Turbo, beten hun tanden stuk op de offroadkwaliteiten van de Audi’s.

Een tweede 4WD-deelnemer kon natuurlijk niet uitblijven; halverwege het seizoen ’84 introduceerde Peugeot haar 205 T16. Korte wielbasis, pluimgewicht en de turbomotor centraal achteraan: de Fransen bewezen zich, mede dankzij ex-wereldkampioen Ari Vatanen, supersnel en schreven meteen drie rally’s op hun naam. De inspanning kwam te laat, maar Audi was gewaarschuwd.

Het seizoen ’85 zou een kanteljaar gaan worden, te meer omdat het aantal pk’s de hoogte in bleef schieten. De reguleringen hielden immers alleen rekening met de cilinderinhoud, niet met het gebruik van turbo’s en (vaak tegelijk) mechanische compressoren. De kaap van de 400 pk was al overschreden, en dat in auto’s van zo’n 900 kg. Een gewicht-vermogenverhouding waar zelfs de Bugatti Veyron niet aan kan tippen…

– Lees verder: Een teken aan de wand…

Share Button

Leave a Reply