DRIVR

Raceklassiekers: Deel 1 – Ford GT40

Hoewel collega’s Ken en Cedric momenteel hun driftskills opkrikken op het verse sneeuwtapijt, zijn de officiële motorsportkampioenschappen wel degelijk in winterslaap gegaan. Het ideale moment dus om aan een knisperend houtvuurtje herinneringen op te halen aan de helden van weleer. En dan bedoel ik niet de piloten – die in vervlogen tijden, toen veiligheid nog een vies woord was, telkens weer lijf en leed riskeerden – maar de brutale racemonsters waarin ze dat deden. De Ford GT40 mag deze reeks aftrappen.

Ford GT40

Begin jaren zestig was Ferrari oppermachtig in de internationale sportwagenraces. Le Mans ging zes keer op rij voor de Italiaanse bijl en dat stak andere constructeurs de ogen uit. Onder hen Henry Ford II, die al lang een Ford op Le Mans’ ereschavot wou. Toen bleek dat Enzo Ferrari zijn bedrijf te koop wilde stellen, sprong Ford er dan ook op als een wilde coyote. Onderhandelingen werden gestart, miljoenen werden gespendeerd aan audits en voorbereidingen. Om dan, op de valreep, op een sisser uit te draaien: Enzo zag eenzijdig van de verkoop af.

Henry Ford II was woedend. Hij besloot snel werk te maken van een eigen GT, met als enige doel de hegemonie van Ferrari te doorbreken. Een team werd gevormd in Engeland rond Lola-baas Eric Broadley, Aston Martins ex-teamchef John Wyer en Fords eigen ingenieur Roy Lunn, die eerder aan de Mustang I-conceptauto gewerkt had. Het chassis en de motor werden uit de Lola Mk 6 geplukt, toen een van de meest geavanceerde racewagens ter wereld.

Hoewel de ‘GT40’ – as in: 40 inches hoog, volgens internationale reglementering – van bij zijn racedebuut in de 1000 km van de Nürburgring en tijdens de 24 Uren van Le Mans in 1964 meteen snel bleek, haalde hij dat jaar nooit de finish wegens technische problemen. In 1965 was het wel prijs: Ken Miles en Lloyd Ruby wonnen de 2000 km van Daytona.

Le Mans 1966

Voor het seizoen 1966 besloot Ford zijn eigen enorme 7 liter-V8 achterin de GT40 te lepelen, en dat bleek de juiste beslissing: de drie Fords bezetten dat jaar het volledige podium in Le Mans. De suprematie was zó groot dat ze zelfs uitdraaide op een relletje rond de finishposities. Om te vermijden dat beide wagens elkaar uit de race zouden kegelen, luidden de teamorders dat nummers 1 en 2 zij aan zij moesten finishen – een ex aequo, dus. Helaas voor vaste Fordrijder Ken Miles betekende dit dat Chris Amon en de legendarische Bruce McLaren de editie ’66 op hun naam zouden schrijven, aangezien zij achter hem stonden op de starting grid en in totaal dus 18 meter meer hadden afgelegd. Uit protest ging hij op de laatste rechte vol op de rem staan. Zo werd Miles zijn laatste wapenfeit ontzegd – enkele maanden later zou hij om het leven komen in een test met de ‘Mk IV’-evolutie van de GT40.

Diezelfde wagen domineerde in 1967 het Circuit de la Sarthe met een gemiddelde snelheid van 218 km/h over 24 uren. Dat record bleek achteraf net zijn grootste probleem: de gevaarlijk hoge snelheden zorgden het volgende jaar voor een beperking van de cilinderinhoud tot 3 liter – naar analogie met de Formule 1 – of tot 5 liter voor sportwagens waarvan minstens 50 stuks geproduceerd werden. Ford greep daarom terug naar de GT40 Mk I, nu uitgerust met de 4,7 liter-V8 uit de Mustang. Die voegde een derde opeenvolgende Le Mans-zege toe aan het steeds indrukwekkender palmares van de wagen die de blauw-oranje Gulf-livrei onsterfelijk maakte.

In 1969 was het de beurt aan toenmalig Le Mans-debutant Jacky Ickx – onlangs nog opgenomen in de top 40 van beste F1-piloten – om de Amerikaanse (en Belgische) kleuren te verdedigen. Het zou de meest nipte finish ooit worden, slechts meters voor een in winnende vorm verkerende Porsche 908. Maar dat heroïsche verhaal over Le Mans 1969 deden we al eens uit de doeken. Het was de laatste overwinning voor de GT40, want in 1970 had Porsche zijn 917 geperfectioneerd en brak voorgoed het tijdperk van de prototypes aan.

In 2002 zorgde Ford nog voor een revival van de klassieker met de knappe ‘GT’, toen de snelste supercar die te koop was. Jeremy Clarkson was achtereenvolgens laaiend enthousiast en diep teleurgesteld, toen hij zijn eigen exemplaar na amper een maand terug inleverde bij Ford vanwege een eindeloze reeks technische problemen. In zijn column in The Times had hij daar de volgende weinig lovende woorden voor: “So there we are. A 35-year dream. A two-year wait. Ten years of damn hard work. And what do I get? The most miserable month’s motoring it is possible to imagine.” Zo zie je maar: nothing beats the original.

Ford GT vs. Ford GT40

Share Button

5 Responses

  1. Jeroen says:

    Geweldige auto die oude GT40, maar mijn voorkeur gaat toch uit naar de De Tomaso Pantera met dezelfde leeftijd, ook met Ford V8!

  2. fordtalk says:

    Vooral die gulf kleuren? vind ik geweldig.
    De tijd dat autosport nog echt racen was. Gelukkig zijn er nog zaken zoals de BTCS en de belcar. F1 is bv al lang niet meer boeiend, evenals de prototypes in le mans….

    Grootste budget wint, helaas.

Leave a Reply