DRIVR

Lotus Kiwi/Esprit: It’s Hip to be Square

Neen, ik ondervind geen gevolgen van de laatste hittegolf, Lotus had wel degelijk (bijna) een Kiwi in het gamma. Tenminste als Giorgetto Giugiaro niet alleen de styling maar ook de naam had mogen bepalen van de sportwagen die we ondertussen allemaal kennen als Esprit. Lotus besliste dus gelukkig anders en hield het traditioneel bij een naam beginnend met een E.

lotus-esprit-silver-car-1972

Hethel presenteerde de voorloper van de tweezitter met middenmotor in 1972 in Turijn. Het ontwerp van Giugiaro werd toepasselijk ‘Silver Car’ gedoopt in afwachting van de echte naam. De zilveren sportwagen had een extreme wigvorm en bijzonder scherpe hoeken, typisch voor Giugiaro-ontwerpen uit de jaren zeventig. Uiteindelijk overleefde het design wonderwel de stap naar productie en het eerste echte prototype met de naam Esprit – dat in 1973 gepresenteerd werd in Genève – bleef dan ook trouw aan het origineel van de Italiaanse meester. Het zou echter nog twee jaar duren vooraleer de eerste wagens van de band rolden.

lotus-esprit-silver-car-1972-3

Giugiaro mocht dan wel instaan voor de styling, de engineering nam Lotus voor eigen rekening. Colin Chapman was persoonlijk betrokken bij de ontwikkeling en keek er nauwgezet op toe dat het lichtgewichtadagio van het merk gerespecteerd werd. Lotus was destijds bijzonder competitief in de Formule 1 en dat diende af te stralen op de Esprit (waar hebben we dat onlangs nog gezien?). De wagen werd uitvoerig getest in de windtunnel en de motor werd in eigen huis ontwikkeld. De Esprit woog oorspronkelijk net geen 900 kg, mede dankzij een koetswerk van polyester en een licht stalen chassis: ‘today’s car designed for tomorrow’ volgens Lotus.

lotus-esprit-s1-interior

De Esprit S1 kende een korte carrière van 1975 tot 1978 en is voor mij (na de Silver Car) meteen de meest pure van de reeks. Wie zo’n exemplaar in de garage heeft staan, kan het maar beter koesteren, want slechts 714 exemplaren vonden een koper. De viercilinder met zestien kleppen en twee carburators leverde via een vijfbak 160 pk aan de achterwielen. De sprinttijden zijn in dertig jaar sterk geëvolueerd, want met 8,6 tellen naar 100 zit je nu niet meer vooraan in de klas. Hoewel in die tijd respectabel, waren het echter niet de pure prestaties die de S1 onsterfelijk maakten, maar wel de spectaculaire duik met 007 in ‘The Spy Who Loved Me’.

lotus-esprit-s1-submarine-007

In 1978 zette de S2 een aantal foutjes van de eerste reeks recht, met onder meer een betere voorspoiler die de wigvorm minder zijwindgevoelig maakte. Een S2 herken je meteen aan de achterlichten die geleend werden van de Rover 3500 en aan de verticale luchtinlaten achter de zijramen. Voor straffere prestaties was het wachten op de S3 (1981-1987) met 2.2 liter-motor; maar voor een echte boost kon je beter de Turbo kiezen, net zoals Roger Moore in ‘For You Eyes Only’. Ondertussen was de Kiwi aangekomen tot 1150 kg en gedecoreerd met een hoop spoilers, luchtinlaten en dikkere bumpers, de prijs van het succes…

lotus-esprit-turbo-007-fye-only

In 1987 volgde een grondige restyling die weer wat rust bracht in het design, maar ook verder afweek van het ranke origineel. Vanaf dan nam de turbo een prominente plaats in. Zo haalde de exclusieve SE van 1989 een top van 265 km/u dankzij even veel pk’s uit de onverslijtbare 2.2-viercilinder en floepte de naald in vijf tellen richting honderd. ‘It corners like it’s on rails’, wist Julia Roberts aan Richard Gere te vertellen, toen hij de Pretty Woman zelf het stuur gaf na zijn gesukkel met de stick shift. En zowat de voltallige autopers gaf haar hierin gelijk. Zes jaar later volgde de S4 met 17-inchwielen en stuurbekrachtiging. Helaas probeerde men ook de ronde vormen van de jaren ’90 over het rechthoekige design te draperen, waardoor het pure karakter van de ‘Silver Car’ ver zoek was. Lotus hield wel het gewicht onder controle en voor de die-hards was er de lichtgewicht 300 Sport, een gepeperde trackday special met 300 pk.

lotus-esprit-se

Maar de grote nieuwigheid was de komst van de V8 in 1996, een door Lotus zelf ontwikkelde 3,5 liter-twinturbo, goed voor 350 pk en 274 km/u. In 2002 plakte men de ronde achterlichten van de Elise op de achterkant, die net als alle spoilers en luchtinlaten pasten als de spreekwoordelijke tang. In 2004 ging dan eindelijk het licht uit voor de Esprit, na een carrière van dertig jaar en bijna even veel evoluties. De lichte sportwagen van 1973 met een kleine viercilinder was een supercar met twinturbo-V8 geworden. ‘Stretched to the limit’ heet dat dan. Nu Lotus beslist heeft om opnieuw up-market te gaan en de grote jongens het leven zuur te maken, is het wachten op de opvolger…

lotus-esprit-v8-2002-2

Share Button

5 Responses

  1. LeviV says:

    Interessant artikel!

  2. VishnuSixDix says:

    Esprit met de V8 is kwijl, prestatiegewijs dan 😀

  3. Stijn says:

    Goed geschreven artikel, mooi overzicht. Vind evenwel niet dat de Esprit uiteindelijk zo sterk afweek van het origineel. De Esprit V8 vind ik bijvoorbeeld, weliswaar zonder de ronde achterlichten, een toppertje. En dit, zoals VishnuSixDix al aangaf zeker op het vlak van prestaties. Bij Ferrari moest je (uit de gewone line-up) wachten op de F430 om sneller de kilometer uit stilstand af te leggen.
    De Countach (uit dezelfde periode) is een voorbeeld van een design dat helemaal verloren gegaan is. De 911 is zelfs in die periode sterker geëvolueerd (waarschijnlijk ook door grotere financiële middelen). Met andere woorden de Esprit heeft me altijd kunnen bekoren, zeker als V8 en ook op de w/vijfde foto 🙂

Leave a Reply