DRIVR

Raceklassiekers (5): Austin/Morris Mini Cooper S

In onze reeks ‘Raceklassiekers’ hebben we het graag over de underdog. Over de rise to glory van de onverwachte winnaars en de kampioenen van het volk. Geen wagen waar die beschrijving beter bij past dan een stadsautootje uit de Swinging Sixties met éénlitermotor en amper een zeventigtal pk’s, dat desondanks vier keer op rij de Rally van Monte Carlo wist te winnen. Het verhaal van de BMC Mini Cooper S.

Mini Cooper S

Ironisch genoeg begon de Mini zijn leven als de absolute tegenpool van een racewagen. Eind jaren vijftig zagen de Britten hun oliebevoorrading gehypothekeerd door de Suezcrisis, waardoor de British Motor Corporation (BMC) de noodzaak van een klein, zuinig en goedkoop autootje begon in te zien. Designchef Alec Issigonis, die al jaren met het idee rondliep, kreeg de opdracht een compact wagentje te ontwerpen, met als voorwaarde dat er plaats moest zijn voor vier volwassenen plus bagage.

Austin Seven

Dat Issigonis aan die eis wist te voldoen met een ‘koekblikje’ van 3,05 op 1,41 op 1,35 meter, had alles te maken met ‘s mans radicale puzzelwerk. Zo werd voor het eerst een viercilinder – de 848 cc A-Series – dwars geplaatst, met de radiator links en de versnellingsbak ingebouwd in het carter om tot één compact geheel te komen. Van daaruit ging de aandrijving naar de voorwielen; toen nog een zeldzaamheid maar sindsdien gemeengoed geworden.

Sir Alec Issigonis

Het was echter een ander unicum in dit segment, namelijk vier onafhankelijk opgehangen wielen, dat samen met de lage bouw en strakke afvering verantwoordelijk was voor de uitzonderlijke stabiliteit van de Morris Mini-Minor en de Austin Seven – de twee namen waaronder het ontwerp aanvankelijk gecommercialiseerd werd. De korte wielbasis zorgde dan weer voor wendbaarheid en ultradirecte reacties. Issigonis had onbedoeld een driver’s car ontworpen, en velen raakten dan ook snel geïnteresseerd in het opvijzelen van het bescheiden vermogen van 34 pk.

Mini

Onder hen ook John Cooper, de bedenker van de middenmotor die met Jack Brabham de F1-wereldtitel had binnengehaald in 1959 en 1960, en tevens een goede vriend was van Alec Issigonis. Hoewel die laatste weinig zag in het plan, kreeg Cooper van het BMC-management de goedkeuring om een officiële getunede Mini-variant klaar te stomen. In 1961 waren de Austin en Morris Mini Coopers klaar. Ze ontwikkelden 55 pk, dankzij een tot 997 cc uitgeboorde motor met dubbele carburator en specifieke nokkenas. Voor snellere acceleraties kreeg de versnellingsbak bovendien een kortere spreiding, terwijl extra stopkracht gegarandeerd werd door vooraan schijfremmen te monteren.

Mini factory

BMC was onder de indruk en produceerde meteen duizend stuks om aan de homologatievereisten van de Groep 2-rallyklasse te voldoen. De Coopers regen al snel de successen aan elkaar, zowel op het circuit als op de weg. Bij BMC begonnen ze te dromen van een deelname aan het wereldkampioenschap rally, maar ze beseften dat daarvoor meer daadkracht nodig was. Dus werd John Cooper opnieuw aan het werk gezet. Die gaf de Mini Cooper een tikkeltje extra longinhoud (998 cc) en een kortere slag, en ontwikkelde ondertussen ook een nog snellere Cooper ‘S(pecial)’, met 70 pk uit 1071 cc, verstevigde motorcomponenten en grotere, bekrachtigde schijfremmen.

Austin Mini Cooper S

Toen de Cooper S in 1964 aan de start van de Rally van Monte Carlo verscheen, was er echter nog steeds een duidelijk vermogensdeficit tegenover de concurrentie. Maar wat de Mini miste aan kracht, maakte hij goed in de korte haarspelbochten van het slingerende Alpenparcours. Ongeziene bochtsnelheden en veel durf brachten Paddy Hopkirk de algemene eindoverwinning. De racewereld was met stomheid geslagen over de prestaties van het kleine, Britse stadswagentje.

Monte Carlo Rally 1964

En dat was nog maar het begin, want John Cooper had ondertussen nog twee andere Cooper S-varianten ontwikkeld: eentje met 970 cc voor de raceklasse onder 1 liter, en eentje met 1275 cc (en 78 pk) voor de sub-1.3-klasse. Met die laatste schreef Timo Mäkinen in 1965 de tweede Mini-overwinning in Monaco in de geschiedenisboeken.

Mini Cooper S

1966 zou het jaar van de grote dominantie worden, want de drie Mini’s bezetten het volledige Monegaskische podium. De chauvinistische Franse organisatoren sloegen groen uit van afgunst en gingen naarstig op zoek naar technische onregelmatigheden op de Britse wagens. En wil je een hond slaan… dan beslis je dat zowel de Mini’s als de Ford-Lotus Cortina op de vierde plek een onrechtmatig voordeel hebben gehaald door het gebruik van koplampen met variabele weerstand in plaats van dubbel filament, zoals voorgeschreven door de Franse verkeerswet. De diskwalificaties zorgden ervoor dat Citroëns thuisteam – dat overigens met illegale witte koplampen reed – de overwinning in de schoot geworpen kreeg. De ‘winnende’ piloot, Pauli Toivonen, was diep beschaamd en zwoer meteen nooit meer voor Citroën te zullen racen. Bij BMC treurde men niet lang, want het schandaal had hen meer publiciteit opgeleverd dan een overwinning ooit zou kunnen. Bovendien haalden ze hun gram een jaar later, toen Rauno Aaltonen nu ook officieel een derde Monte Carlo aan het Mini-palmares toevoegde.

Monte Carlo Rally 1967

De komst van de gloednieuwe Porsche 911S betekende het jaar daarop, in 1968, het einde van Mini’s dominantie – al werden de Cooper S’jes nog knap derde, vierde en vijfde. Het rijk van een van de onwaarschijnlijkste kampioenen ooit was uit, maar de Mini kon na zijn korte racecarrière terugblikken op een quasi eindeloze reeks grote en kleine successen. Naast de drie iconische overwinningen in Monte Carlo schreef de Cooper S ook de Griekse, Britse en Finse Rally op zijn naam, net als het Europese Rallykampioenschap in 1965. En in verscheidene nationale competities maakte de Mini nóg meer indruk. Zo won de legendarische Colombiaanse piloot Humberto Escobar 123 van de 125 wedstrijden waaraan hij in zijn Cooper S deelnam…

Mini Cooper S

In 1971 gingen de (intussen Mk III) Mini Coopers uit productie, om pas negentien jaar later terug te keren. En zoals dat hoort, werd de fraaiste vuurpijl voor laatst gehouden: de Mk IV Mini kreeg in 1996 een speciale editie, genaamd John Cooper S Works – met 90 pk de krachtigste en snelste ‘Old Mini’ ooit. Een mooi eerbetoon aan het merk én zijn illustere tuner, wiens levens én sterftes haast parallel verliepen. Kort nadat de 5.387.862ste en allerlaatste Mini in december 2000 aan de British Motor Industry Heritage Trust geschonken werd, liet ook John Cooper het leven. De autowereld was in één klap twee iconen kwijt.

New vs. Old Mini

Over BMW’s al dan niet authentieke sequel uit 2001 is al veel inkt gevloeid, dus daar mag iedereen zelf zijn oordeel over vormen. Laten we ter afsluiting gewoon de cirkel rond maken met een ontmoeting van oud en nieuw, wanneer Paddy Hopkirk en Rauno Aaltonen meer dan veertig jaar na hun overwinningen terugkeren naar de Col de Turini in een New MINI John Cooper Works Cabrio. Zij verdienen hier het laatste woord:

Share Button

8 Responses

  1. Milly says:

    Zeer mooi artikel, met veel plezier gelezen.
    Dit soort artikels is de charme van Drivr vind ik.

  2. Benny Herdewyn says:

    Het perfecte plot voor een prachtig verhaal, David tegen Goliath.
    En die twee heren op het einde doen mij aan een ander olijk koppel denken: Statler & Waldorf.

  3. ElmoTheElk says:

    Ik zou willen dat mijn opa rallycoureur was. 😉

    Wederom een mooie ‘Raceklassiekers’-episode!

  4. Pieter Fret says:

    Bedankt, heren 🙂

    Er wordt trouwens nog steeds met oude Mini’s geracet, zoals op de Goodwood Revival, en dat levert vaak mooie beelden op:

  5. Overigens: Bij Top Gear zeggen ze wel eens dat je geen echte autoliefhebber bent wanneer je geen Alfa Romeo hebt (gehad).
    Ik ben het daar mee eens, maar zou er de Mini aan toe willen voegen…

  6. Pieter Ameye says:

    Trouwens nog een leuke en fascinerende anekdote gehoord. Heel wat Mini’s die deelnamen aan tal van uithoudingswedstrijden werden op de voet gevolgd door compleet identieke exemplaren (tot het chassisnummer toe), verstopt in o.a. Citroën HY’s (zo’n Mini past er net in). Zo konden de auto’s bij ernstige pannes snel en onopgemerkt gewisseld worden terwijl het defect exemplaar hersteld werd. Een truc die ook door andere deelnemers werd gedaan, maar eenvoudiger en praktischer was met de kleine Mini.

Leave a Reply