DRIVR

Fiat Dino: De Ferrari die een Fiat was… en omgekeerd

Ik zag ‘m voor het eerst staan in een garage bij een importeur ergens te lande. Alleen de snuit stak uit de rij auto’s. “Lijkt wel een Jensen Interceptor”, dacht ik. Toen zag ik het Bertone-logo op de flank. En het Fiat-logo. En de rest van de carrosserie. De kenners van klassieke Italiaanse exotica halen allicht hun neus op voor deze bekentenis, maar: ik had nog nooit van de Fiat Dino gehoord. Voor wie in hetzelfde schuitje zit: een korte geschiedenisles!

fiat_dino_coupé_02

fiat_dino_coupé_03fiat_dino_coupé_01

Wie ‘Dino’ zegt, denkt natuurlijk onmiddellijk aan de Ferrari Dino, en dat is niet zo verwonderlijk: de Ferrari en Fiat Dino zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de jaren vijftig probeerde Alfredo ‘Dino’ Ferrari, zoon van, samen met Ferrari-ingenieur Vittorio Jano grote baas Enzo Ferrari ervan te overtuigen om ook ‘kleinere’ motoren te gaan produceren met minder cilinders dan de V12 waar Ferrari om bekend stond, onder meer voor gebruik in de Formule 2.

Dino Ferrari, die aan een spierziekte leed en het ontwerp van de V6 met Vittorio Jano besprak vanop zijn ziektebed, zou helaas de afgewerkte 1.5 V6 nooit te zien krijgen en overleed in 1956. De motor zelf werd de komende jaren ingezet in de racerij, en werd lichtjes vergroot tot 1,6 liter toen de Formule 2-reglementen in 1967 wijzigden. Het grote probleem was echter dat de nieuwe regulering met zich meebracht dat er minstens 500 productie-exemplaren met de motor moesten rondrijden.

fiat_dino_spider_01

Omdat Ferrari niet genoeg productiecapaciteit in zijn fabrieken had, werd er een overeenkomst gesloten met Fiat. Aurelio Lampredi nam het blok onder handen en vergrootte de cilinderinhoud tot twee liter. Zowel Pininfarina als Bertone werden aangeschreven om een design voor de Fiat Dino te maken. Pininfarina zou de dakloze Spider tekenen, die in 1966 op het salon van Turijn werd voorgesteld, en Bertone zorgde voor de Coupé, die een jaar later in Genève debuteerde.

De achterwielaangedreven Coupé had een volwaardige vierzitsconfiguratie, terwijl de Spider het met een 2+2-opstelling moest doen. Beide koetswerkversies hadden echter wel dezelfde 2.0 V6 Dino van 160 pk voorin, die in Turijn bij Fiat van de band rolde en in 1968 als middenmotor debuteerde in de Ferrari Dino 206. Interessant detail: Enzo Ferrari wilde niet dat de ‘kleinere’ V6 onder volledig Ferrari-embleem uitreed, en creëerde daarom als eerbetoon aan zijn zoon de ‘Dino’-naam. Amerikaanse Ferrari-dealers stonden er echter op dat ‘Ferrari’ mee vermeld werd, omdat ze vreesden de Dino 206 onder alleen de Dino-naam niet te kunnen verkopen. Het zou nog tot 1976 duren eer de Dino 308 GT4 de ‘Dino’-naam liet vallen en volwaardige Ferrari-nomenclatuur meekreeg.

fiat_dino_spider_02

fiat_dino_spider_03fiat_dino_spider_04

In 1969 werd de motor van de Fiat Dino vergroot tot 2,4 liter, steeg het vermogen tot 180 pk, en kreeg de Dino de onafhankelijke achterophanging van de Fiat 130 mee. De productie van de Fiat Dino verhuisde naar Maranello, waar Ferrari zijn Dino 206 met hetzelfde blok uitrustte en zo de 246 GT creëerde. De 2.4 V6 belandde zelfs nog in de Lancia Stratos. Wat de Fiat Dino betreft: diens productie eindigde in 1972, met de teller op 6.043 coupés en 1.557 spiders. Daarvan hebben 2.414 coupés en 424 spiders het grotere 2.4 V6 Dino-blok. Goed om weten, voor mocht je nu de zoekertjes in willen duiken.

Share Button

One Response

  1. Ken Divjak says:

    Ik meende al zoiets gezien te hebben op je Instagram-account …

    Knipsel

Leave a Reply