DRIVR

Eigen Kweek: Een Ode aan Autoland België

We vroegen aan 100 Belgen om drie landen te noemen die bekend staan om hun auto’s en geraakten niet veel verder dan Duitsland, Italië, Japan en Frankrijk. Vraag aan diezelfde 100 Belgen om één Belgisch automerk te noemen en je krijgt vooral nietszeggende blikken en wat gestamel terug. Toegegeven, in de laatste 50 jaar zijn er nog maar weinig auto’s van eigen kweek overgebleven en moeten we het vooral hebben van assemblage en busbouwers als Van Hool en VDL/Jonckheere. Maar dat was wel eens anders.

minerva_type_16_30_8

Minerva: koning van de auto en naderhand ook auto van de koning.
[Foto via wheelsage.org]

Als we teruggaan naar het prille begin van het automobiele tijdperk, krijgen we een heel ander verhaal. België was – door zijn kwalitatieve staal- en steenkoolnijverheid alsook zijn centrale ligging – hét industrieland bij uitstek in Europa. Rond die zware industrie, voornamelijk in Wallonië, ontstond dan ook al gauw een heel netwerk van met staal ontwikkelde producten: gereedschappen, wapens, (motor)fietsen en aan het begin van de 20ste eeuw ook een bloeiende autonijverheid.

Veel van die bedrijfjes hielden het snel voor bekeken of sloegen andere wegen in, zoals de wapenindustrie met FN als bekendste voorbeeld. Namen als Excelsior, Minerva en Imperia doen bij liefhebbers allicht wel een belletje rinkelen, zeker in het geval van Imperia dat een paar jaar geleden nog geprobeerd heeft om een nieuw hybridemodel op de markt te brengen maar ondertussen zijn activiteiten grotendeels gestaakt heeft door aanhoudende homologatieproblemen.

rolls-royce_phantom_i_jonckheere_coupe

De door de Belgische Jonckheere Carrossiers tot Coupé omgebouwde Rolls Royce Phantom I uit 1925.
[Foto via wheelsage.org]

De periode tussen het einde van WO I en de beurscrash van 1929 was het gouden tijdperk. Onder andere Minerva was heel geliefd bij Europese vorsten, Hollywood-acteurs en rijke industriëlen en genoot dezelfde faam als bijvoorbeeld Rolls-Royce en Hispano-Suiza. Maar niet alleen de Belgische auto’s genoten wereldwijde bekendheid. In de begindagen van het automobiel was het niet ongebruikelijk een rollend chassis af te nemen bij bijvoorbeeld Rolls-Royce en daarmee naar een koetsenbouwer te trekken om de volledige carrosserie naar jouw wensen te laten bouwen.

Net zoals bij de automerken, zie ik mensen hard fronsen als ik het over Belgische coachbuilders heb. Pinifarina, Zagato, Bertone en Ghia doen nog wel een belletje rinkelen. Maar wie slaagt erin één Belgische carrossier op te noemen? Nochtans duiken er enkele bekende namen op als je wat opzoekingswerk verricht: het eerder genoemde Jonckheere en Van Hool, en uiteraard D’ieteren – de Belgische VW importeur die meer dan 200 jaar geleden begon met het bouwen van koetsen, in de beginjaren nog de door paarden getrokken variant.

De crisis van begin jaren ’30 en enkele jaren later het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, zorgden ervoor dat heel veel van die constructeurs het moeilijk kregen en op de fles gingen. Na de oorlog en de wederopbouw waren het niet langer eigen merken waar Belgische arbeiders aan werkten, maar kwam de assemblage-industrie op gang. Ford, Renault, GM, Studebaker, Volvo, VW, Audi hadden (of hebben nog steeds) een assemblagefaciliteit in België. De laatste twintig jaar kampt ook die industrie met een golf van sluitingen, doordat de assemblage veelal verhuist naar lage(re)loonlanden, wat ook gevolgen heeft voor de toeleveranciers.

autowp.ru_gillet_vertigo_streiff_5unsorted_unsorted_233

Twee volbloed racers uit België: de Gillet Vertigo en de VDS GT001-R door van der Straeten Racing
[Foto’s via wheelsage.org]

Dit is slechts een heel beknopt overzicht van de Belgische autogeschiedenis, er valt uiteraard nog heel wat meer over te vertellen. Maar op de vraag of België een autoland is, mogen we absoluut ja antwoorden – en dat doe ik dan ook met de nodige fierheid. Als afsluiter nog dit: niet alleen is elk Europees Ford-model sinds de jaren ’60 getest in België, ook de eerste naoorlogse Jaguar – de XK120 – werd hier uitgebreid op zijn staart getrapt, met name op de E40 tussen Oostende en Jabbeke. In 1949 werden er snelheden gehaald van meer dan 275km/u, een stunt die in 2013 nog eens herhaald werd met een F-Type V8 S op de ‘Jabbeke Highway’.

Share Button

One Response

  1. Ken Divjak says:

    Wie op https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Belgische_automerken kijkt, zal zien dat er vroeger tig Belgische merken actief waren:

    ADK (1930)
    Alatac (1914)
    Alberta (1906)
    Alfa Legia (1914)
    ALP (1920)
    Altona (1946)
    AMA (1913)
    Antoine (1903)
    d’Aoust (1927)
    Apal (1998)
    Aquila (1903)
    Astra (1931)
    ATA[1] (1914)
    Auto Garage (1911)
    Auto-Mixte (1912)
    Avior (1947)
    Bastin (1909)
    Beckett & Farlow (1908)
    Belga (1921)
    Belga-Rise (1935)
    Belgica (1909)
    Bercley (1900)
    Bovy (1914)
    Cambier (1898)
    CAP (1914)
    Catala (1914)
    CIE (1898)
    Coune (1947)
    CLA (1901)
    Claeys-Flandria (1955)
    Cyclecars R&D (1921)
    Dasse (1924)
    De Cosmo (1908)
    Delecroix (1899)
    Delin (1901)
    DéChamps (1906)
    De Wandre (1923)
    Direct (1905)
    Dyle & Bacalan (1906)
    Escol (1938)
    Excelsior (1932)
    Fab (1914)
    FD (1925)
    Fif (1914)
    Flaid (1921)
    FN (1935)
    Fondu (1912)
    Frenay (1914)
    Germain (1901)
    Hermes (1909)
    Hermes-Mathis (1914)
    Imperia (1960)
    Imperia-Abadal (tussen 1913 en 1917)
    Jeecy-Vea (1926)
    Jenatzy[2] (1905)
    Juwel (1928)
    Kleinstwagen (1952)
    Knap[3] (1909)
    L&B
    Linon (1914)
    Loza (1925)
    Matthieu (1906)
    Matthys Frères et Osy (1927)
    Mécanique et Moteurs (1906)
    Meeussen (1972)
    Métallurgique (1913)
    Miesse (1926)
    Minerva (1939)
    Nagant (1927)
    Oracle (2005)
    Peterill (1899)
    Pieper (1903)
    Pipe (1922)
    P.L.M. (Keller) (1955)
    P-M (1924)
    R.A.L. (1914)
    Royal Star (1910)
    Rumpf (1899)
    Sava (1923)
    S.C.H. (1928)
    SOMEA[4] (1921)
    Speedsport (1927)
    Springuel (1912)
    Taunton (1922)
    Turner-Miesse (1913)
    Vanclee (1989)
    Vincke (1905)
    Vivinus (1912)
    Widi (1960)
    Wilford (1901)
    Zelensis (1962)

    Gevolgd door de droge opmerking: ‘en circa 80 andere’.

    Het centrum van de wereld op het vlak van de automobielproductie, ja!

Leave a Reply