Share a little biographical information to fill out your profile. This may be shown publicly.

 

We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Turbotechnologie dateert van het interbellum en was dé oplossing om vliegtuigmotoren genoeg pk’s te geven op grote hoogte. Hoewel het autoconstructeurs om hetzelfde (min de hoogte) te doen was, duurde het toch nog tot 1970 vooraleer de inductietechniek haar plaats onder de motorkap vond; een verdienste die op naam staat van Saab en z’n 99 Turbo.

In principe is een turbo een supercharger aangezien de laatste synoniem is voor elk toestel dat lucht onder druk zet en bijgevolg een grotere hoeveelheid O² in de motor brengt. Het verschil tussen beide heeft betrekking op de aandrijving; een supercharger wordt mechanisch aangedreven (via de cardan zoals bij Mercedes & Jaguar) terwijl een turbo gevoed wordt door de energie die de uitlaatgassen ontwikkelen. Grofweg: de door de motor geproduceerde uitlaatgassen worden teruggeleid naar de turbo waar ze een turbine in beweging zetten die op zijn beurt een compressor aandrijft. Meer lucht wordt gecompenseerd door meer benzine-inspuiting wat een rijker mengsel oplevert.

Grootste deficiet van een turbo is (was) de trage reactietijd en het daaruit resulterende turbogat waardoor de motor net een uit/aan-schakelaar lijkt. Een probleem dat net als de lage efficiëntie werd opgelost dankzij innovatieve technologieën; Renault zet z’n geld tegenwoordig op dubbelwielige turbo’s (het kleine wiel is sneller in beweging en levert extra ooomph bij lage toeren, het grotere…), BMW boekt succes met z’n variable twin-turbo (idem maar verspreid over twee turbo’s) terwijl nog anderen voor een systeem met variabele geometrie gaan. Stuk voor stuk oplossingen die een atmosferische motor aan een nieuwe adem helpen en het specifieke vermogen naar een hoger niveau tillen.