Share a little biographical information to fill out your profile. This may be shown publicly.

 

We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Soms vertoef ik overdag in Gent of in Brussel. Ik heb de keuze om er te geraken vanuit mijn postcode: een gemiddelde snelheid van 30 kilometer per uur trotseren op de verzadigde E-linten of de ijzerwegen ondergaan in een Bombardierrijtuig. Het is heden wellicht usance om dat laatste te doen.

Het gaat dan ongeveer zo. De parking van het dichtstbijzijnde treinstation bereik ik met de auto. Na de school run met de kinderen – dus per definitie met maar weinig resterende tijd vooraleer de stipte trein op perron 4 verschijnt. Veeg teken op de aanloopweg naar de parking: massaal veel auto’s wachten in de berm op de terugkeer van medependelaars na vijven. Anders dan andere ochtenden. Zij net zoals ik op het parkeerterrein verrast door grasperkjes die nuttiger bevonden worden dan extra parkeerplaatsen. Zomaar. Sinds vannacht? Zonder waarschuwing. Great.

mobiel_500_1

Ik time. Mijn auto staat drie minuten snelwandelen van de stationsingang verwijderd. Achteraf verneem ik van een vriend, die die dag ook tussen de netels geparkeerd blijkt, dat de stationsmensen zelf de agenten hebben gebeld die hem een boete hebben gegeven. “Wegens foutparkeren op een privéterrein met openbaar karakter.” Zonder waarschuwing op een dag met voldongen feiten. Great, vond hij dat.

Ik heb snel afgeleerd om mijn treinticket te kopen via Darwin’s missing link achter het loket. Dan maar de automaten. Die het die morgen doen. Dat valt mee. De automatische verdelers: reusachtige depressiegrijze kasten zijn het, als computers rechtstreeks uit de Thunderbirds. En dan hop, de trein op langs de ellebogen door. En plaats gevonden. En naast een stopcontact voor mijn laptop. En op een relatief propere plaats. Naast een relatief propere medemens. Ik heb geluk die ochtend.

De terugreis verloopt in minder comfort. Het is vrijdag en de studentenkoten lopen leeg. De treinen lopen vol. Met pak, met zak, met guitig roddelende eerstejaarsstudenten die naar Stella van de nacht voordien ruiken. Geprangd tussen de treindeur – met veiligheidsglas van Saint-Gobain leert het logo op twee centimeter van mijn neus me – en een rugzak met spullen die een moeder straks op 30 graden of meer wast. Bijzonder aangenaam is dat ik aan de rechterkant sta. En er uit moet langs links. Over de studentenbagage. Over de studenten. Ik heb nood aan frisse lucht en aan reanimatie. Werkdag gedaan. Tenminste, na de wandeling in de regen, beschermd door de paraplu die in de kofferbak van mijn auto is blijven liggen. Mijn auto die dubbel zo ver lijkt te staan als ’s ochtends. Er kan maar één auto tegelijk van het terrein. Dankzij verlichte verkeerskundige inzichten schuif ik tien lange minuten aan.

mobiel_500_2

Ik had voor de wagen kunnen kiezen. Met de vlam in de uitlaatpijp naar de andere kant van het land. De laatste keer dat ik naar Gent ging met de vierwieler, heb ik er een uur langer over gedaan dan gepland. Niks vlam. Wist ik veel dat dinsdagmorgen de prijs voor de drukste spits wint. Akkoord dat Stu Bru’s Tomas en Linde in de luidsprekers aangenamer zijn dat menig treinkaarthouder, maar na een tijdje gaat ‘spot de rode auto’s’ zelfs in hun gezelschap vervelen. We zijn met te veel op de baan, fluistert de media en de politiek in mijn oor. En die hebben altijd gelijk. Maar nu lieg ik wel.

In De Tijd van 18 november 2008 las ik een opiniestuk van Lode Vereeck. Lode Vereeck is hoofddocent economie aan de Universiteit Hasselt en lid van de Mobiliteitsraad Vlaanderen. In kleine lettertjes laat de krant weten dat de bijdrage van Vereeck zijn eigen standpunt is en geen van de voornoemde instellingen bindt. Misschien horen ze zijn mening niet graag. Nieuwe wegen leiden tot extra verkeer. Dat heb ik gehoord. Bus, trein, tram, fiets, voeten. Telewerken, fiscale beloning en bestraffing, modal shift. Alternatieven zijn er legio, heet het. Zijn die alternatieven wel echte, gelijkwaardige alternatieven?

Ik citeer Vereeck: “Met meer dan twee derde van alle verplaatsingen, is de auto zonder meer het meest succesvolle vervoermiddel. Dat komt door de tijdsbesparing (als er geen files zijn), de directe beschikbaarheid en de fijnmazigheid van het wegennet. Die voordelen worden door geen enkele alternatieve vervoerwijze benaderd en gaan dus verloren in een modal shift. … Ook de emancipatorische rol van de auto valt niet te onderschatten. Meer nog dan de fiets in de 19de eeuw, heeft de auto in de 20ste eeuw ertoe bijgedragen dat mensen over de grenzen van eigen dorp, provincie en land een kijkje gingen nemen en met nieuwe indrukken en ervaringen naar huis terugkeerden. In de 21ste eeuw stelt de auto ons vooral in staat om de drukke agenda van werk, gezin en vrije tijd rond te krijgen.”

Die laatste zin. Waarom erkennen media en politici die zo weinig? In mijn gezin zijn er twee dagelijkse auto’s die noodzakelijk zijn voor de was, de plas, de school run. Wij redden het niet zonder. Zonder zouden we 28 en een half uur per etmaal nodig hebben, leert een snelle berekening. Nu goed: gezinnen met twee voltijds werkende volwassenen, twee jonge kids, een hond en een kat – eerder uitzondering in onze maatschappij. Je komt ze vrijwel nooit tegen, denk ik dan samen met het beleid.

Vereeck gaat verder: “Hoe ver kan de overheid gaan in het ontmoedigen van wat de burgers willen? Nieuwe maatregelen zoals rekeningrijden (voorlopig enkel voor vrachtwagens) herinneren aan middeleeuwse tol die eeuwenlang de economische ontwikkeling hinderde. … De uitbouw van het openbaar vervoer geeft dan weer blijk van een achterhaald geloof in collectivistische oplossingen. Het kost veel en biedt zelden de flexibiliteit die actieve, participerende burgers nodig hebben, behalve op lange afstanden waar tijd bespaard en beter besteed kan worden. … Het beleid kan dus maar beter zorgen voor gratis auto’s in plaats van gratis bussen.” Daar teken ik voor. Nuances volgen: “Om zijn maatschappelijke legitimiteit te behouden, moet veel sneller een einde worden gemaakt aan de negatieve effecten van het autogebruik, zoals files, verkeersongevallen, lawaai en milieuvervuiling. … Zo kunnen steden bijvoorbeeld enkel auto’s met zero-uitstoot of externe airbags toelaten, of die wagens gratis laten parkeren. Het openbaar vervoer wordt daarbij niet langer uitgebouwd alsof het een alternatief is. Van nature kan het immers nooit flexibel genoeg inspelen op de individuele vervoersbehoeften. Dat doet de auto wel, maar ook de (brom)fiets. Er is dus meer behoefte aan vrije fietsbanen dan aan vrije busbanen. Kortom, de weg die het vervoersbeleid in de 21ste eeuw moet inslaan, is niet de individualisering van het collectief vervoer, maar de collectivisering van het individueel vervoer.”

Een fiets op vrije fietsbanen helpt me niet op weg naar de dagopvang en kleuterschool, en passant via de Colruyt. Maar ik kan wel antwoorden op de afsluitende vraag van Vereeck: “Welk soort mobiliteit willen wij? Een die de individuele vrijheid en emancipatie bevordert of een die ze fnuikt? Zodra die vraag beantwoord is, komen de oplossingen vanzelf.”

Maak voort met de commercialisering van groene technologie, autoconstructeurs. En Lode Vereeck, stel je kandidaat voor een ministerpost (maar dan niet via de veelal nauwe Dedeckeriaanse vox populi zoals je nu doet). Move over Etienne Schouppe en Kathleen Van Brempt. Ik wil morgen flexibel, onafhankelijk en comfortabel naar Gent rijden.

[Foto’s Jeroen Thys]