Share a little biographical information to fill out your profile. This may be shown publicly.

 

We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Stel die vraag aan mij en ik denk spontaan aan de zes-in-lijn van de BMW E46 CSL, de Mezger-boxer van de Porsche 911 GT3, het roffelende turboblok van oude Impreza’s en de door Cosworth getunede Ford-motoren van Caterham. Zelfs de turbo-vijf van de Focus RS zit in mijn persoonlijke top-10, maar ook die moet het afleggen tegen het blok dat mijn octaanfantasie al ruim vijftien jaar prikkelt: de Busso-V6 van Alfa-makelij. Hieronder lees je hoe het zover gekomen is…

alfabussov6

De Busso-V6 ontleent zijn naam aan Giuseppe Busso, werd begin jaren ’70 ontwikkeld en bleef onafgebroken in productie tot 2005 toen hij als 3.2-variant uitzwaaide in de 147 en 156 GTA. Die laatste is trouwens verantwoordelijk voor deze opwelling van en vraag naar motorporno; eind vorige week bengelde DRIVR-lezer en huisvriend TiZi de sleutels van zijn 156 GTA Sportwagon voor mijn neus wat twee uur later resulteerde in een herboren liefde voor het enige blok dat ooit het etiket van ‘Mini-Ferrari’ verdiende – zonder een steigerend paardje op zijn neus te dragen.

Uitleggen waarom ik er zelfs op ralenti kippenvel van krijg, is onbegonnen werk. Pogingen tot stranden meestal in wartaal over organisch geluid (met de nadruk op -luid), alomtegenwoordig koppel (vanaf geen toeren), verslavend vermogen (250pk aan 7.000) en het gevoel dat de carrosserie er enkel is om de motor te transporteren zoals een bekende tractorbouwer het ooit verwoordde. En dat is meteen het grootste deficiet van de Busso V6: nooit was er een Alfa die in al zijn onderdelen zo schitterde als het blok in kwestie – met uitzondering van de 75 misschien. Vaak omdat 250pk tien jaar geleden niet evident was om via de voorwielen aan de grond te krijgen. En zelfs toen het dankzij de excellente Q2-sper mogelijk was, vertikte Alfa het om er een op de GTA’s te monteren…

Nochtans was het blok anno 2005 nog lang niet aan het eind van zijn Latijn. De EURO4-norm was gehaald en niemand minder dan Cosworth was bereid om de hele productielijn over te nemen en in Engeland verder te ontwikkelen. Maar daar waren de Italianen enerzijds te fier voor, en toenmalige GM-partner te koppig. De 3.2-afgeleiden die vandaag nog in de catalogi staan, zijn dan ook niet meer dan dat: afkooksels van de knapste motor om ooit massaal geproduceerd te worden. Ook al zat de 3.2 gemakkelijk aan een gemiddeld verbruik van 15l/100km en 300g CO2 per gereden kilometer. Maar dat is het laatste van je zorgen wanneer je de hele leasevloot er vanaf rijdt terwijl je oren fluiten van plezier.

OVER AAN JULLIE!

[Foto: Rob Smith Photography]

Share Button