Share a little biographical information to fill out your profile. This may be shown publicly.

 

We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Wie de film The Fastest Indian heeft gezien, zal ongetwijfeld bekend zijn met de Bonneville Salt Flats. Kilometers uitgestrekte zoutvlaktes, zo glad als een biljarttafel, herbergen de legende van moedige mannen en hun snelheidsmachines. Hier werden bloed, zweet en tranen gelaten voor een definitief plaatsje in het geschiedenisboek der wereldrecords. Deze week: Donald Campbell zet de erfenis van zijn vader Sir Malcolm verder.

Salt fever. Een virus waarmee je besmet kan geraken als je ooit de Bonneville Speed Weeks bezoekt of als je vader een voormalig recordhouder is. Het was op die manier dat Donald Campbell het werk van zijn vader, te beginnen met het snelheidsrecord op water, verder zette. In de jaren ’50 werd Bluebird K7 gebouwd, een hydroplane-boot die uit het water kwam en over het oppervlak begon te scheren naarmate de snelheid steeg. Dit verlaagde de weerstand die het water uitoefent op de kiel enorm, maar er was een groot risico dat de boot achterover zou slaan.

Desondanks sloeg Donald erin het record zesmaal te verbeteren tussen 1955 en 1959, met een snelheid van 418.99 km/u tot gevolg. Daarmee had hij de beste poging van zijn vader met bijna 200 km/u overschreden, ruimschoots voldoende om even gerust te zijn. Maar een echte snelheidsverslaafde kent geen rust en Donald’s volgende uitdaging was al volop in ontwikkeling. Het duo, Ken and Lew Norris, dat reeds instond voor het ontwerp van de K7-boot, was de constructie begonnen van een nieuwe recordwagen.

Proteus_04

Dit zou niet zomaar een nieuwe recordwagen worden, het zou een technologisch hoogstandje worden met een state-of-the-art aandrijving. En met een zeer hoog prijskaartje, maar gelukkig werden grote bedrijven als BP en Dunlop binnengehaald om het project te financieren. Bluebird-Proteus CN7 werd gebouwd op een honingraatstructuur aluminium chassis met volledig onafhankelijke ophanging. Het vermogen werd naar alle vier de 52! inch Dunlop wielen gestuurd, terwijl grote schijf- en luchtremmen de CN7 tot stilstand brachten.

Proteus_02

Dat was nodig, want CN7 was uitgerust met een uitzonderlijke krachtbron die het voertuig een (theoretische) topsnelheid van 800 km/u moest geven. Tegenwoordig kijkt niemand meer op van gasturbines, maar in de jaren ’50 was de Proteus-motor het eerste grote succes voor de Bristol Aeroplane Company op dat vlak. Het 4000 pk sterke gevaarte, gekozen voor zijn klein frontaal oppervlak en groot vermogen, bleek echter een ware nachtmerrie om te installeren. Pas in de zomer van 1960 was de CN7 klaar en werden voorbereidingen getroffen om enkele high-speed runs in Bonneville uit te voeren.

Proteus_01

Helaas bleek niet alleen het installeren van de motor een nachtmerrie voor het team, ook de test op Bonneville eindigde in tranen. Aan meer dan 500 km/u ging de CN7 plots onderuit en begon zijdelings te rollen. Als bij wonder overleefde Donald de crash, hetzij zwaargewond. Tijdens zijn revalidatie had de coureur regelmatig te kampen met angstaanvallen en de twijfel om CN7 opnieuw op te bouwen werd groter met de dag. Gelukkig overwon het snelheidsvirus de angst weer en in 1961 werd Bluebird heropgebouwd (nu met een sperdifferentieel en stabilisatievin).

Proteus_05

Bonneville werd niet langer als geschikt bevonden, mede dankzij de slechte staat van het zout in 1963, maar vooral door de “beperkte” afstand van 18 km. Donald wou het zekere voor het onzekere nemen en verhuisde het hele entourage naar de 32 km lange zoutvlaktes van Lake Eyre in Australië. Hier had men al in 20 jaar geen regen meer gezien waardoor de toplaag van het zoutmeer er spijkerhard bij lag. Maar ook Lake Eyre was Donald niet gunstig gestemd, kort na hun aankomst begon het zodanig te regenen dat de zoutvlaktes onder water kwam te staan.

De regen zou het zout een jaar lang onbruikbaar maken, maar in 1964 stonden Campbell en de zijnen, ondanks het verlies van sponsor BP, weer paraat. Het zout was nog steeds niet in optimale conditie, maar met de hete adem van sponsors en media in de nek konden ze niet blijven wachten. De recordpoging was gelukkig succesvol, Bluebird’s 644.96 km/u verwees John Cobb’s 634.39 km/u uit 1947 naar de geschiedenisboeken. Donald was echter niet tevreden. Moest het zout in optimale conditie geweest zijn, had CN7 zeker de 700 km/u barrière kunnen doorbreken.

Proteus_03

Toch kreeg CN7 geen nieuwe kans om zijn ware potentieel te tonen, in Bonneville was men namelijk aan het experimenteren met straalaandrijving. Donald besefte dat CN7 niet zou kunnen opboksen tegen het geweld van de Jet Age, en liet de raket-aangedreven Bluebird Mach 1.1 bouwen. Om publiciteit te winnen voor dit nieuwe project besloot hij de K7-boot aan te passen om de 300 mijl per uur grens te doorbreken op het water. Echter, zoals reeds eerder gevreesd, sloeg de boot tegen hoge snelheid achterover en spatte uit mekaar op het meer van Coniston.

Proteus_06

Omdat Donald’s lichaam in eerste instantie niet werd teruggevonden, wensten de familieleden ook de K7 niet uit het water te recupereren. Skipper and boat stay together. Echter, in het jaar 2001 werd, na lang zoeken, Donald’s lichaam gelokaliseerd door een onderzoeksteam. Donald’s zus, die eerst tegen de recuperatie van het lichaam was, stemde toch in om beiden boven water te halen en een afscheidsceremonie te houden. In 2006 werd de restauratie van de K7-boot opgestart, en in 2009 maakte de blauwe machine, als eerbetoon, terug zijn eerste meters in de wateren van Coniston.