Het groepje racehelden van de jaren ’50 en ’60 is weer wat kleiner geworden met het heengaan van de aimabele Hans Herrmann vorige week vrijdag. Hij was nota bene nog de laatst levende piloot die op een F1 podium had gestaan in de jaren ’50. Niet de man die de spotlights opzocht maar misschien wel degene met de strafste verhalen.
Hans Herrmann, geboren in 1928, volgde een opleiding tot bakker. Meer nog dan van die oven, kreeg hij het vooral warm van racerij dankzij idolen als Rudolf Caracciola en Bernd Rosemeyer. Op amper 8-jarige leeftijd verloor hij echter zijn vader, waardoor zijn moeder mogelijks nog meer inzette op het geluk van haar zoon. Zo ging ze mee in zijn racedroom en verkocht ze in 1951 zelfs juwelen om een… juweel van een sportieve wagen te kopen: de Porsche 356 1100cc waarmee Hans snel onafscheidelijk werd en al gauw werd opgemerkt na een sterke prestatie op een kletsnatte Nürburgring.
Stuttgart boven
Porsche rekruteerde hem vervolgens voor de 24 uur van Le Mans in 1953. De enige twee 550 coupés die ingezet werden door Porsche, behaalden de eerste twee plaatsen in de categorie ‘Sport 1,5-liter’ zodat Hans al meteen op het podium mocht. In de jaren nadien zou echter vooral mechanische pech zijn pad kruisen op Le Mans. Tijdens de Mille Miglia van ’54 werd hij plotsklap wereldberoemd door met zijn Porsche 550 Spyder door een gesloten spoorwegoverweg te rijden, net toen een trein aankwam, en daarbij het hoofd van zijn navigator (Herbert Linge) naar beneden -onder de slagboom- te duwen…
Niet enkel Porsche deed beroep op Hans Herrmann, ook stadsgenoot Mercedes-Benz zag in hem de ideale partner om naast de grote Fangio aan te treden. Waardoor hij -tot een benzinelek- nog zelfs lang kon meestrijden voor de overwinning tijdens de beruchte Mille Miglia van 1955. Maar even later volgde natuurlijk de tragedie van Le Mans, waarna Mercedes uit de autosport stapte en vervolgens decennialang zou wegblijven.
Met Porsche behaalde hij in 1958 nog eens een positief resultaat in Le Mans. Aan het stuur van een 718 RSK behaalden hij en Jean Behra de derde plaats -en aldus podiumplek- in het algemene klassement en wonnen ze de categorie ‘Sport 2-liter’. Zijn carrière in eenzitters kwam na daarentegen moeizamer van de grond, en Hans dook op aan het stuur van diverse teams als Scuderia Centro Sud (Maserati), of met een Cooper-Maserati of voor BRM. Het was bij deze laatste dat Herrmann zijn bijnaam kreeg. Tijdens de Duitse GP van 1959 op de AVUS maakte hij een remfalen mee zodat de niet afgeremde bolide finaal omkantelde en Herman -bij gebrek aan gordel in die tijd- weggeslingerd werd. Door elkaar geschud maar ongedeerd zag hij hoe zijn BRM P25 meters verder tot stilstand was gekomen. Iedereen begon hem vervolgens “Hans im Glück” te noemen, de oorspronkelijke titel van het sprookje van de gebroeders Grimm.
Vanaf 1960 kreeg ook Porsche F1-ambities. Toch zou Hans vooral elders schitteren voor het merk uit Zuffenhausen. Zoals door samen met -onze landgenoot- Olivier Gendebien de 12 uur van Sebring binnen te halen. Hij zegevierde dat jaar ook in de Targa Florio. Daarna, toen hij 33 was, vond Porsche dat het met Dan Gurney en Jo Bonnier betere kansen had in de F1, waardoor de F1-carrière van Herr Herrmann erop zat… net als zijn tweede termijn bij Porsche. Een verhuis naar Abarth en focus op voornamelijk heuvelraces volgde.
Verlossing
Vanaf ’66 keerde hij terug naar die Heimat, Porsche én Le Mans, wat meteen een 5de plaats algemeen en 2de plaats in zijn categorie opleverde. En daarna zou het alleen nog maar in crescendo gaan, met in seizoen 1968 reeds overwinningen in de 24 uur van Daytona en de 12 uur van Sebring. In ’69 volgde op Le Mans vervolgens het bloedstollend einde -na de wandelende start van Jacky Ickx en de dood van John Woolfe- tussen de #6 Ford GT40 van Ickx/Oliver en de #64 908 van Herrmann/Larrousse. In de laatste ronde wist Ickx zijn tegenstander Herrmann te verschalken en diens Porsche nog net enkele lengtes op afstand te houden…
Le Mans 1970 zou de laatste race van de inmiddels 42-jarige Hans worden, dat had hij zijn vrouw Magdalena immers beloofd. Het leek een race in mineur te worden. Hij kon weliswaar beroep doen op een 917K van Porsche KG Salzburg, maar het betrof nog de 4,5-liter flat 12 terwijl de varianten van de teams van Gulf en Martini reeds beroep konden doen op de uitgeboorde 4,9-liter variant. Bovendien was er uiteraard Ferrari, dat met de vers gehomologeerde 512 zich ook in de debatten ging mengen. De rode Salzburg 917K kwalificeerde zich derhalve slechts als 16de en, erger nog, teamgenoot Richard Attwood bleek ziek. Echter, door de eindeloze regenbuien boven Le Mans hield het duo geduldig een veilig tempo en zo wonnen ze finaal met een voorsprong van vijf ronden. Na al die jaren ploeteren volgde de verlossing met een eerste algemene overwinning op Le Mans voor zowel Hans Herrmann als Porsche. Van een mooi einde gesproken. Of toch niet helemaal, want begin jaren negentig kwam Hans nog eens in het nieuws. Hij werd namelijk ontvoerd door drie gemaskerde mannen, maar ook daaraan wist hij te ontsnappen. Weer overleefde Herr Herrmann zonder kleerscheuren een straf avontuur.
Met weemoed denk ik dan ook terug aan ‘Sound Nacht‘, een event dat, circa 10 jaar geleden, enkele jaren op rij door Porsche werd georganiseerd. Het bracht, in het Porsche Museum, niet enkel ronkende bolides bij elkaar, maar ook ingenieurs en piloten uit lang vervlogen (hoog)dagen. Zo ook bijvoorbeeld Hans Mezger en Hans Herrmann, kranige, nederige mannen die met plezier hun avonturen deelden. Blij dat te mogen hebben meegemaakt beste Hans im Glück…

